Navigatie overslaan.
Start
voor een toegankelijke samenleving, voor iedereen!

Parlementaire vraag van Helga Stevens dd 26 juni 2008

Vraag om uitleg van mevrouw Helga Stevens tot minister Van Brempt over het uitblijven van geactualiseerde toegankelijkheidsnormen

De voorzitter: Mevrouw Stevens heeft het woord.

Mevrouw Helga Stevens: Mijnheer de voorzitter, mijn
dank dat ik deze vraag om uitleg toch kan stellen. Ik heb
ze in het verleden al tweemaal proberen in te dienen en
vandaag staat ze eindelijk op de agenda.
Mevrouw de minister, op 13 oktober 2005 heb ik u voor
het eerst in deze commissie aangesproken over de noodzakelijke
actualisering van de toegankelijkheidsnormen
voor publieke ruimtes. Het lijkt me onnodig de noodzaak
hiervan nogmaals in de verf te zetten. De huidige
normen zijn meer dan 30 jaar oud. Vlaanderen was op
dat moment wellicht een van de pioniers. Aangezien de
normen niet zijn geactualiseerd, de uitzonderingen de
norm zijn geworden en de normen op het terrein slecht
zijn toegepast, heeft Vlaanderen in Europa een grote
achterstand opgelopen. U hebt dat trouwens in de commissie
erkend.

Toegankelijkheid is in de eerste plaats belangrijk voor
personen met een handicap en voor de vele Vlamingen die
op oudere leeftijd minder mobiel of slechtziend worden.
Ook jonge, valide personen worden als ouder met een
kinderwagen, tijdens de zwangerschap, als klant met een
zware boodschappentas, als tijdelijk gekwetste en dergelijke
met het belang van een vlot toegankelijke samenleving
geconfronteerd. Dit belangt ons dan ook allen aan.
De Europese Unie (EU) beveelt aan alle openbare gebouwen
tegen 2010 toegankelijk te maken voor personen
met een verminderde mobiliteit. Het is duidelijk dat we
deze doelstelling ten gevolge van de manke federale wetgeving
en van het lange stilzitten van de Vlaamse overheid
onmogelijk nog kunnen bereiken. Het is zeker niet
evident om bestaande gebouwen aan de toegankelijkheidsnormen
aan te passen. Er is de afgelopen 30 jaar veel
gebouwd en verbouwd. Dit betekent dat we een enorme
kans hebben laten liggen. Het Brusselse Hoofdstedelijke
Gewest en het Waalse Gewest hebben de federale wetgeving
trouwens al jaren geleden geactualiseerd.

Tijdens de commissiebespreking wilde de minister de
discussie over de beste manier om de toegankelijkheid te
verankeren nog in het midden laten. Eind 2005 heeft de
minister in de Commissie voor Wonen, Stedelijk Beleid,
Inburgering en Gelijke Kansen beloofd tegen eind 2006
een nieuwe gewestelijke stedenbouwkundige verordening
klaar te hebben. Ze heeft die belofte enkele maanden
later in een interview met een dagblad herhaald. Die
timing is ondertussen een heel stuk opgeschoven. In de
beleidsbrief Gelijke Kansen 2007-2008 staat hierover
het volgende te lezen: "Na verwerking van de feedback
uit het toegankelijkheidsmiddenveld en na de juridische
vertaling van de voorstellen in de vorm van een verordening,
zal in overleg met de Vlaamse minister bevoegd
voor Ruimtelijke Ordening in het voorjaar van 2008 de
procedure tot goedkeuring van de verordening worden
opgestart. Tevens zullen de checklijsten worden gepubliceerd,
verspreid en gepromoot bij alle betrokkenen,
van bouwsector tot openbare besturen."

Minister Van Mechelen hanteert dezelfde timing. Ik
verwijs in eerste instantie naar zijn beleidsbrief Ruimtelijke
Ordening en Onroerend Erfgoed 2007-2008,
waarin het volgende te lezen staat: "Als de sector in
2008 een definitief consensusvoorstel formuleert, dan
kan de procedure voor het regelgevend initiatief gestart
worden. Na verwerking van de feedback uit het
toegankelijkheidsmiddenveld zal in overleg met de
Vlaamse minister van Gelijke Kansen in het voorjaar
van 2008 het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden
Aangelegenheden en de sector van de
welzijns- en gezondheidsvoorzieningen worden gevraagd
advies uit te brengen over deze voorstellen.
Mede op basis van dit advies zal de procedure tot
goedkeuring van de verordening worden opgestart." Op
17 januari 2008, ondertussen zes maanden geleden,
heeft hij die timing in zijn antwoorden op vragen om
uitleg in de Commissie voor Leefmilieu en Natuur,
Landbouw, Visserij en Plattelandsbeleid en Ruimtelijke
Ordening en Onroerend Erfgoed herhaald.

Ondertussen bevinden we ons halverwege juni 2008.
Het voorjaar is definitief voorbij. Er is nog steeds geen
enkel voorstel bekendgemaakt of voor advies aan de
vermelde instanties voorgelegd. We weten niet wanneer
dit wel zal gebeuren en wanneer er eindelijk
nieuwe normen zullen zijn. Ik heb vernomen dat, na
insteek van en samenspraak met verschillende actoren,
een eerste voorstel van verordening is uitgewerkt.
Maar hierover is sindsdien weinig vernomen. De door
u voorgestelde timing is momenteel volledig achterhaald.
Het uitblijven van de verordening verontrust mij
ten zeerste en wel om volgende redenen.

Ten eerste, deze legislatuur loopt stilaan op zijn einde.
We hebben nog maar een jaar meer voor de boeg. Ik
hoop echt dat u woord houdt en dus nog tijdens deze
legislatuur zorgt voor geactualiseerde normen. Zo niet
dreigt alles met een nieuwe regering en nieuwe ministers
opnieuw enkele jaren uitgesteld te worden.

Ten tweede wordt op dit moment ook de herziening van
het decreet ruimtelijke ordening afgewerkt. Het lijkt mij
nuttig dat daarbij alle puzzelstukjes in elkaar vallen en
de nieuwe normen dus eventueel gekoppeld kunnen
worden aan nieuwe procedures in het decreet of de uitvoeringsbesluiten.
Zoals u weet heb ik ook mijn voorstel
omtrent de invoering van een ‘anticiperende handhaving’
van de toegankelijkheidsnormen via een extern
adviesorgaan voorgelegd aan de minister van Ruimtelijke
Ordening.

Ten derde hoop ik ook dat het uitgangspunt van integrale
toegankelijkheid overeind blijft in de toetsing met
andere belangen en sectoren. Hoe langer we niets horen,
hoe groter mijn vrees wordt. De toegankelijkheidsnormen
voor publieke ruimtes zijn van algemeen belang en
kunnen mijns inziens niet zomaar worden opgeofferd.
Al moeten uitzonderingen, bijvoorbeeld voor beschermd
erfgoed, in bepaalde welomschreven gevallen mogelijk
blijven, Maar ook dan mag de uitzondering niet de regel
worden. Ik ben ervan overtuigd dat een creatieve aanpak
ook in die gevallen, vaak een oplossing kan bieden.

Hiermee hebben we het nog niet over de normen zelf
gehad, alleen maar over de timing. Wat de normen zelf
betreft, blijft er het probleem dat uitdrukkelijk reeds vermeld
werd door minister Van Mechelen in zijn beleidsbrief
en in zijn antwoorden van 17 januari 2008. Namelijk,
hoe lost men in de voorziene gewestelijke stedenbouwkundige
verordening het probleem op van niet op
het plan, gevoegd bij een aanvraag voor stedenbouwkundige
vergunning, afleesbare elementen, die nochtans ook
essentieel zijn voor het realiseren van de doelstelling van
‘integrale toegankelijkheid’. Ik denk aan auditieve
aanwijzingen voor blinden of slechtzienden.
En dan laat ik het belangrijke probleem van de handhaving
voorlopig nog buiten beschouwing. Ik wil wel al
verwijzen naar de waarschuwing en vrees van de VVSG
in haar nieuwsbrief nummer 21 van 27 mei tot 2 juni
2008. Zij vreest namelijk dat de verordening wel extra
werklast voor de gemeenten tot gevolg zal hebben, maar
dat, door het ontbreken van voldoende gespecialiseerde
kennis en knowhow bij vele gemeentelijke stedenbouwkundige
diensten, er weinig verbetering op het terrein
merkbaar zal zijn.

En nu, eindelijk mijn vragen.

Er is belangrijke achterstand opgelopen ten opzichte van
de vooropgestelde timing.

Wat is de laatste stand van zaken met betrekking tot
de actualisering van de toegankelijkheidsnormen?

Welke stappen dienen nog doorlopen
te worden? Zijn er belangrijke obstakels die nog
steeds niet uitgeklaard zijn? Zo ja, graag toelichting.

Wat is uw nieuwe timing?

En de cruciale vraag: wanneer mogen we de nieuwe
operationele normen nu eindelijk verwachten?

Ten slotte heb ik een inhoudelijke vraag. Hoe werd het
probleem van de niet op het plan afleesbare
toegankelijkheidselementen in de tot nu toe uitgewerkte
voorstellen benaderd en aangepakt?

De voorzitter: Minister Van Brempt heeft het woord.

Minister Kathleen Van Brempt: Collega’s, mevrouw
Stevens, ik zal u met enige schroom antwoorden. Het
siert u dat u zo gebeten blijft in dit onderwerp. Het
houdt mij fris. Het is goed en het is nodig.
Er is zeker achterstand opgelopen, dat wil ik niet verbergen.
Ik zal u zo direct een overzicht geven van de
processen en realisaties. Uw frustratie omtrent de achterstand
is ook de mijne. Het goede nieuws is dat er al
heel wat stappen gezet zijn.

Dat proces heeft ertoe geleid dat er sinds februari 2008
een consensusvoorstel op tafel ligt, dat gedragen wordt
door het toegankelijkheidswerkveld en -middenveld. Het
is Enter, het Vlaams Expertisecentrum Toegankelijkheid,
dat in samenspraak en na uitgebreid overleg met de
verschillende provinciale adviesbureaus toegankelijkheid
dit technische voorstel uitwerkte. Er werd rekening
gehouden met de wensen en aanbevelingen van het
Toegankelijkheidsoverleg Vlaanderen (TOV) en van de
Provinciale Steunpunten Toegankelijkheid.

Intussen werd ik eind 2007 en begin 2008 vanuit verschillende
beroepsorganisaties benaderd met de vraag
om betrokken te worden bij de ontwerpteksten van de
verordening. Al deze organisaties werden door mijn
diensten ontvangen om met hen in overleg te gaan over
de nieuwe toegankelijkheidsnormen. Op die manier
was het niet alleen mogelijk om de nieuwe normen nog
beter af te stemmen op de realiteit van de bouwsector,
maar werd bovendien bij deze organisaties reeds een
draagvlak gecreëerd voor de aankomende regelgeving.
Ik schets u een overzicht van de betrokken beroepsorganisaties
en het traject dat met hen werd afgelegd.
Het verklaart zeker en vast de opgelopen vertraging.

Naar aanleiding van de presentatie die op de startdag
van de Week van Universal Design op 1 oktober 2007
gegeven werd over de nieuwe toegankelijkheidsnormering,
kregen wij een vraag tot overleg van drie beroepsverenigingen
van architecten. Op 25 oktober 2007
vond een eerste overlegmoment plaats met vertegenwoordigers
van deze beroepsverenigingen, namelijk de
Vlaamse architectenvereniging NAV, de Bond van
Vlaamse Architecten en de Vlaamse Raad van de Orde
van Architecten. Zo ben ik wijzer geworden betreffende
het aantal architectenorganisaties dat we hebben. Op 26
februari 2008 vond er een tweede overleg plaats waarbij
deze organisaties hun aanbevelingen bij de technische
consensustekst nader toelichtten.

Op 16 januari 2008 was er een eerste overleg met de
Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG).
Op dit overleg werden de basisprincipes en uitgangspunten
van de nieuwe toegankelijkheidsregelgeving verduidelijkt.
Bovendien werd de afspraak gemaakt dat zodra er
een tekst was waarover er binnen de toegankelijkheidssector
een consensus bestond, deze tekst toegelicht zou
worden op een bijeenkomst van de commissie ruimtelijke
ordening van de VVSG. Deze bijeenkomst had dan ook
plaats op 14 februari 2008. Aansluitend hierop werd dezelfde
presentatie op het Westhoekoverleg gegeven. In dit
overlegorgaan zetelen onder andere de ambtenaren ruimtelijke
ordening van de provincie West-Vlaanderen.

Op het directiecomité van 26 mei 2008 formuleerde de
VVSG naar aanleiding van de verschillende overlegmomenten,
een officieel standpunt over de toegankelijkheid
van gebouwen met een publieke functie. Op 24
januari 2008 werd een toelichting gegeven aan de stuurgroep
van het TIS-project – dit is een project over toegankelijkheid,
aanpasbaarheid en innovatie in de woningbouw
– dat door het Wetenschappelijk en Technisch
Centrum voor de Bouw (WTCB) en InHAM (Innovatiecentrum
voor Huisvesting met Aangepaste Middelen)
wordt uitgevoerd.

Op 20 februari 2008 werd een overleg georganiseerd
met de Beroepsvereniging van de Vastgoedsector. Op
dit overleg werd de achtergrond van de toegankelijkheidsregelgeving
verduidelijkt en werd nader ingegaan
op de linken die een vernieuwde Vlaamse regelgeving
zou hebben met de bestaande West-Vlaamse verordening.
Aansluitend werden op 4 maart 2008 de ontwerpteksten
voorgelegd en besproken op het duurzaam vastgoed
forum. Dit is een forum dat wordt geïnitieerd vanuit
de Beroepsvereniging van de Vastgoedsector en
waarin onder meer het Algemeen Eigenaarssyndicaat, de
Bouwunie, de Confederatie Immobiliën Beroepen, de
Confederatie Bouw, de Koninklijke Federatie van de
Architectenverenigingen van België, de Koninklijke
Federatie van Belgische Ingenieurs en het WTCB vertegenwoordigd
zijn.

Ook het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden
Aangelegenheden (VIPA) en de sector van de
welzijns- en gezondheidsvoorzieningen waren vragende
partij voor overleg over de nieuwe regelgeving. Tot nu
toe werd er al 3 keer samengekomen: op 3 maart, 13
maart en 14 april 2008. Op initiatief van de Cel Gelijke
Kansen tenslotte, werd een overleg gepland met de Inspectie
RWO, waar meer uitleg werd verkregen over de
werking van dit agentschap. Dit overleg vond plaats op
6 maart 2008.

Mevrouw Stevens, ik wil deze opsomming maken om
aan te geven dat dit een verordening is met een groot
effect op een grote sector. Iedereen was vragende partij
om zijn zeg te doen, om overleg en inspraak te hebben.
We hebben ervoor gekozen om dit ten volle te honoreren.
De aanbevelingen die vanuit de verschillende beroepsorganisaties
werden geformuleerd varieerden van heel
concrete opmerkingen bij een welbepaalde norm, tot
bredere bedenkingen bij de algemene opzet en basisprincipes
van de nieuwe toegankelijkheidsregelgeving.
Alle opmerkingen werden geanalyseerd. In zoverre dat
opportuun werd geacht en na bijkomend advies van
ENTER, werden een aantal opmerkingen in de ontwerptekst
geïncorporeerd. De tekst werd ook beter
gestructureerd. Het heeft heel wat tijd gekost aan de
organisaties, maar ook van mijn administratie om dit in
goede banen te leiden en te verwerken.

Wat is de nieuwe timing? Wanneer mogen we de nieuwe
operationele normen nu eindelijk verwachten? Op dit
ogenblik wordt de tekst van de verordening nog een
laatste maal doorploegd door een aantal juristen, zodat
het in oorsprong technische ontwerp ook de toets van het
juridische jargon kan doorstaan. Ik hoop nog voor het
zomerreces over deze concrete juridische tekst een consensus
te kunnen bereiken met de minister van Ruimtelijke
Ordening. Eenmaal deze consensus bereikt, kan de
advies- en goedkeuringsprocedure worden opgestart.

Naast de gangbare fases in deze goedkeuringsprocedure
(advies Inspectie van Financiën, begrotingsakkoord
enzovoort) dient in dit geval ook advies te worden ingewonnen
bij de Vlaamse Commissie Ruimtelijke Ordening
(Vlacoro). Dit adviesorgaan heeft enerzijds tot doel
bijkomende informatie en expertise in te brengen in het
besluitvormingsproces inzake ruimtelijke ordening en
anderzijds het sociale draagvlak van de besluitvorming
te vergroten door het betrekken van de actoren die met
de regelgeving zullen worden geconfronteerd. Deze
bijkomende adviesprocedure wordt opgestart.

Rekening houdend met de verschillende termijnen die
voor ieder advies van toepassing zijn, ga ik ervan uit
dat het dossier van de toegankelijkheidsverordening bij
de start van het nieuwe werkjaar een eerste keer op het
niveau van de Vlaamse Regering besproken zal kunnen
worden. Ik streef naar een definitieve goedkeuring van
de toegankelijkheidsverordening in het najaar. We
hebben dus inderdaad een achterstand op het oorspronkelijk
tijdsschema opgelopen, maar ik verdedig met
veel verve het afgelegde parcours. We hebben niet
stilgezeten, we hebben ontzettend hard gewerkt. Er is
heel veel tijd gekropen in de overlegmomenten en het
verwerken ervan.

Tot slot verduidelijk ik graag nog even de benadering
van het probleem van de niet op plan afleesbare
toegankelijkheidselementen, een heel belangrijk onderwerp
waarover we al gediscussieerd hebben. Het is duidelijk
dat de elementen die niet op een bouwplan afleesbaar
zijn, minstens even noodzakelijk zijn om een integrale
toegankelijkheid te realiseren.

Ik denk dan bijvoorbeeld aan elementen zoals het kleurgebruik
of zelfs de inrichting van een gebouw. Alleen
hebben noch het Vlaamse gelijkekansenbeleid, noch
Ruimtelijke Ordening het geschikte instrumentarium om
op dat niveau in te grijpen en naleving af te dwingen. De
niet op plan afleesbare elementen zullen bijgevolg worden
opgenomen in een Vlaams Handboek Toegankelijkheid,
dat door ENTER zal worden uitgewerkt. Dit handboek
zal concreet alle elementen beschrijven die nuttig
of noodzakelijk zijn om tot een integraal toegankelijke
fysieke leefomgeving te komen. Het zal op die manier
zowel voor de architect als voor de vergunningverlenende
ambtenaar een leidraad vormen. Naast een verduidelijking
bij de normen van de wetgeving, zal in dit handboek
dus ook informatie worden opgenomen over zaken
zoals kleurgebruik, materiaalgebruik, verlichting en
andere elementen die niet van het plan afleesbaar zijn.
Dit handboek zal – in tegenstelling tot de verordening
zelf – niet afdwingbaar zijn, maar via de open coördinatiemethode
zal men vanuit het Gelijkekansenbeleid de
andere beleidsdomeinen kunnen aanspreken om de richtlijnen
van dit handboek te verplichten bij projecten die
subsidies van de Vlaamse overheid ontvangen. Het zou
een goede zaak zijn dat de betrokken beleidsverantwoordelijken
deze richtlijnen inschrijven in hun eigen
subsidiereglementen. Ook bij de gebouwen van de
Vlaamse overheid zelf dient het handboek als richtlijn te
worden opgenomen.

De overheid heeft in deze immers een voorbeeldrol te
vervullen. Bijkomend zal er ook op het niveau van de
aanstiplijsten aandacht zijn voor niet op plan afleesbare
normen. De aanstiplijsten werden ontwikkeld om aan
bouwheer en architect een zeer bruikbaar instrument aan te
bieden dat aangeeft welke normen de architect precies
moet toepassen. Elk bouwaanvraagdossier zal een dergelijke
aanstiplijst moeten bevatten, waarin de architect op
eer verklaart de normen te hebben toegepast. Deze aanstiplijsten
zullen dus ook de vergunningverlenende ambtenaar
toelaten om vlot na te gaan of de ingediende bouwaanvraag
voldoet aan de eisen van de toegankelijkheidsverordening.
Gezien het belang van deze aanstiplijsten voor de
architect, zullen hierin ook de meest rudimentaire niet op
plan afleesbare toegankelijkheidsrichtlijnen worden opgenomen.
Op die manier wordt in ieder geval de aandacht
van de architect ook op deze richtlijnen gevestigd.